zaterdag 17 mei 2014

AANSTEKELIJK

Nu de kalender op Mei staat hoor ik om mij heen steeds meer mensen aankondigen dat zij gaan barbekjoewen. Daar heb ik ooit al eens een stukje aan gewijd, maar misschien kan het geen kwaad om het er nog eens over te hebben. Voor de niet ingewijden: Barbecuen is een activiteit die zowel onze innerlijke oermens (grote lappen vlees!) als onze innerlijke pyromaan (aanstekerbenzine + houtskool + bic aansteker = lol) aanspreekt. De bedoeling is om op een zelf-aangestoken vuur vlees te roosteren tot het mals en perfect op ons bord ligt. Nu zijn er mensen die dat ook echt voor elkaar krijgen, maar die wonen allemaal in Amerika. In Nederland werkt het meestal niet, om verschillende redenen.

De voornaamste reden is natuurlijk dat we hier in Nederland binnen 24 uur diverse seizoenen kunnen hebben. Zo van: je wordt wakker en het is zomer. Deze truuk is bedacht door/voor middenstanders die in de grill/vlees/houtskool/saus branche werkzaam zijn. U laat zich namelijk nu verleiden om: A – vroeg op te staan tegen beter weten in, en B: onmiddellijk in die veels te gammele Opel Kadett te springen teneinde uw Keurslager te ontdoen van 2 á 56 kilo vlees dat gisteren natuurlijk al in de marinade had gemoeten, maar dat doe je niks meer aan. Vervolgens rijdt u dan langs de houtskool specialist waar u 3 kuub houtskool en 5 knijpflesjes aanstekerbenzine haalt. Tot zover gaat alles goed.

Nu is het zaak om te zorgen dat u zoveel mogelijk saus in huis haalt. Deze saus is straks nodig om eventuele culinaire flaters te camoufleren. Heeft u een Makro kaart dan kunt u heel efficient gewoon één 30 liter emmer BBQ saus, en één 30 liter emmer mayonaise halen, benevens ook 6 voet knoflook (een voet knoflook = 5 tenen) en een industriële verpakking koffieroom (want 30 liter mayonaise + 6 voet knoflook + 15 liter koffieroom = authentieke knoflooksaus die werkelijk ALLES overstemt, inclusief die hamburgers van u die aan de buitenkant hard en zwart, en aan de binnenkant rauw zijn). Anders loopt u straks te slepen met hele kratten van die kleine pokkenflesjes en wordt het een soort van alchemistisch laboratorium voordat U een beetje saus voor mekaar hebt.

Ondertussen ligt in uw kofferbak al dat vlees er ook niet verser op te worden, dus is het tijd voor een pitstop om alles thuis te dumpen, en de barbecue grill tevoorschijn te toveren. Deze grill is uiteraard sinds de vorige hopeloos verzopen barbecue van een jaar geleden inmiddels op schalkse wijze dicht geroest. Dat geeft helemaal niks, want zoals elke echte kerel heeft u een haakse slijper, die u hier zelfs speciaal voor gekocht heeft, en die ook nooit-never-niet voor iets anders gebruikt is.

Na een kwartiertje herrie-met-vonkenregen is de deksel van de grill, en kunt u met de staalborstel het rooster afbikken. Uiteindelijk komt u dan uit bij een barbecue grill waar iedereen ook weer van durft te eten. Dus: rooster er af, houtskool er in, en alvast twee á drie blikjes aanstekerbenzine er op. Tenzij u bij de explosievendienst werkt en dus zo'n "hurt locker" pak heeft, verdient het aanbeveling om de volgende handeling uit te voeren met hiervoor speciaal ontwikkelde extra lange barbecue lucifers. Het speciale aan deze lucifers is namelijk dat zij aan de ene kant zorgen dat u geen brandzalf nodig gaat hebben straks, en aan de andere kant geheid uitwaaien nét voordat ze bij de houtskool zijn.

Dit is het moment waarop uw vrouw zegt: "Kom op, Joop (of hoe u dan ook mag heten), doe niet zo bescheten en steek dat ding gewoon aan". Omdat uw hele familie/vriendenkring/voetbalclub er omheen staat laat u zich verleiden om de Bic aansteker uit de zak te trekken, waarbij het iederen straks opvalt dat u er wel een beetje gek uit ziet zo zonder wenkbrouwen. Het geluid dat we nu horen is: "WOESJ!" maar dan veel harder en gepaard gaand met de geur van brandend haar en het gevoel dat je vlak achter een straaljager staat. Maar: de houtskool brandt alsof ze er napalm op gedumpt hebben. Het wachten is dan op het punt waarop de houtskool alleen nog maar gloeit, en de brandweer weer weg is. De grill is klaar. Het vlees wordt uitgepakt.

Dan is het weer herfst.

vrijdag 9 mei 2014

IK HEB WEER ZO’N BUI

Zag u deze week ook iets voorbij uw raam vliegen? Ja? Dat was de zomer. Nu het dus herfst is, is het niet verrassend dat er weer eens een buitje valt. Behalve dan dat dit geen buitjes zijn. Het lijkt wel alsof we ineens verplaatst zijn naar de Filippijnen of zo iets met gigantiese tropische stormen (die allemaal trouwens vrouwennamen krijgen omdat als ze aankomen ze warm en vochtig zijn, maar als ze weggaan ze je huis en je auto meenemen). Het lijkt net New Orleans, maar dan zonder cajun eten of goeie muziek.
Uiteraard is dit weer aan de ene kant heel goed voor het gras, maar weer minder voor het gemiddelde kampeerteerrein waar u straks dus weer muurvast komt te zitten met uw veels te dure sleurhut. Er is een reden waarom ze in de Filippijnen niet in het weekend naar de camping gaan. Wij zouden daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar goed, we zijn (theoretisch) nog in Nederland. En het komt met bakken de lucht uit in mei. En buienradar zegt dat de minimumtemperatuur voor vandaag ligt op -2 graden. In mei. 

Ik heb een idee: als we binnen de Europese gemeenschap, waar we tóch al bezig zijn met het supporten van landen die iets te kort komen, eens bezig gaan om dit niet alleen met geld te doen. Vóórdat je ’t weet heb je dan een heel creatieve wisselwerking waarbij wij bijvoorbeeld geld aan de Grieken geven, en wij dan wat van hun weer krijgen, onder het motto “voor wat hoort wat”. Nu ligt alles compleet uit balans waardoor wij, om maar eens iets te noemen, een blijvend overschot aan regen hebben, en we van onze mede-Europeanen alleen maar dingen terugkrijgen waar we niks mee kunnen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Roemeense Accordeonisten die wél een accordeon, maar nooit accordeonles gehad hebben. 

Het kan natuurlijk ook gewoon zijn dat we dit weer hebben omdat we in Nederland niet gelukkig zijn als we niet kunnen klagen over het weer, en dat het een soort van voorzienigheid is. Dat zou nog best ’s kunnen want wanneer was de laatste keer dat u een Somaliër (niet te verwarren met een Sommelier) hoorde klagen over regen? Helemaal nooit – geef maar gewoon toe. De enige manier waarop die mensen met water in aanraking komen is kiezen voor een carrière als piraat. 

In de tussentijd hoost het hier maar door, met ook van die fijne windvlagen zodat je op de fiets tegenwind hebt ongeacht waar je naartoe gaat, en dan langs de stoeprand van die plaatselijke stuwmeren door verstopte afvoerputten (de put is verstopt. Maar: we vinden hem wel), en dan ook van dat de wind het water van de boomtakken op olijke wijze precies in je kraag wappert. 

Kan het in plaats daarvan dan niet gewoon sneeuwen?

vrijdag 2 mei 2014

EEN POT VIS

Weet u hoeveel oppervlak u nodig heeft om een walvis te stallen? Nee? Zal ik dat ’s haarfijn uit de doeken doen. Het belangrijkst is om te weten of de walvis nog in leven is (minimaal grondoppervlak van circa 25x4 meter) of overleden en daarna ge-explodeerd. In dat laatste geval kan het namelijk gaan over een oppervlak met een radius van 240 meter.

Nu zal dat in het dagelijks leven niet vaak bij u opkomen, tenzij u inwoner bent van Trout River in Newfoundland. Daar hebben ze nu namelijk een aangespoelde hartstikke dode en ook zeer aromatische walvis van het type blauwe vinvis. Deze vinvis kwam in eerste instantie gewoon dood aan land en was toen natuurlijk al ruim aan de maat met zijn 25 meter lengte, maar tijdens zijn (of haar) verblijf op het strand is er wat gasvorming ontstaan waardoor het beest nu meer lijkt op een zeppelin die ruikt naar een mengsel van kattenbak, rotte eieren en stront, dus dat gaat nog een aardige toeristenattractie worden.

Nu zijn er een aantal standaardmethodes om van zo’n walvis af te komen. Je kunt hem (haar) naar open zee slepen – liefst met een boot - en daar laten zinken, maar dan moet het wel ver genoeg van het strand zijn, want het schijnt dat de dode walvis anders heimwee kan krijgen en weer terugkomt op het strand. Een andere manier is om de walvis met behulp van een grote hoeveelheid dynamiet zó grondig op te blazen dat hij (zij) in de explosie “verdampt”. Het probleem daarbij is dat je niet moet bezuinigen op de explosieven, want anders heb je ineens zware neerslag in de vorm van stukken uitermate smerig ruikende walvis, en vooral ook over een groot gebied.

Tenslotte is er de weg van de minste weerstand, waarbij men de natuur zijn loop laat hebben. Uiteraard duurt dit erg lang, en is de verleiding erg groot om voor optie A dan wel B te gaan. Bovendien kan de walvis uiteindelijk ook “spontaan” exploderen, waarbij men weliswaar op dynamiet bespaart, maar er wél stinkende blubberbuien zijn. Om dat te voorkomen kan de walvis ook eerst lek geprikt worden met een speciaal walvislekprikmes van een meter of 2, waarbij degene die het voornoemde mes hanteert wel vaak wordt bedolven onder een kolkende massa van ruim over de verloopdatum zijnde walvisingewanden.  Dat lijkt me een prima klus voor onverbeterlijke recidivisten waarbij taakstrafjes niet blijken te helpen.

Ondertussen vraagt u zich natuurlijk af of u niet beter af was zonder bovenstaande informatie, maar dat is nu te laat. Aan de andere kant: er spoelen meer walvissen aan dan je denkt (ook in Nederland), en nu weet u vast wat de opties zijn.